#11 – Beëindiging van partneralimentatie door wangedrag van ex-partner

Partneralimentatie

In dit artikel geef ik kort wat informatie over partneralimentatie (zie ook deze blog) en daarna bespreek ik een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag in een zaak over partneralimentatie..

PARTNERALIMENTATIE

Wanneer een ex-partner na de echtscheiding onvoldoende inkomen heeft om in zijn of haar eigen levensonderhoud te voorzien, kan er een verplichting tot partneralimentatie ontstaan. De door een huwelijk ontstane lotsverbondenheid is een van de voornaamste rechtsgronden voor een alimentatieverplichting. De hoogte van de partneralimentatie wordt vastgesteld aan de hand van behoefte en draagkracht. Er wordt eerst gekeken hoeveel geld er nodig is om in de eigen levensonderhoud te voorzien en daarna wordt bepaald of de ex-partner hiervoor een bijdrage kan leveren. De maximale termijn voor partneralimentatie bedraagt vanaf 2020 de helft van de duur van het huwelijk met een maximum van vijf jaar. Er zijn volgens de wet, naast het verstrijken van de maximale termijnen, twee manieren waarop het recht op partneralimentatie kan eindigen:

  1. Als de alimentatiegerechtigde opnieuw in het huwelijk treedt, een geregistreerd partnerschap aangaat dan wel is gaan samenleven met een ander ‘als waren zij gehuwd’ (artikel 1:160 BW);
  2. Als de alimentatiegerechtigde eigen inkomsten of vermogen opzettelijk verzwijgt.

Er blijkt een derde manier te zijn waarvan ik me niet bewust was, althans, waarvan ik niet eerder jurisprudentie had gelezen. Dit komt aan de orde in de volgende casus.

FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN

Het betrof in deze zaak een gescheiden stel, een man en een vrouw. In eerste aanleg (uitspraak bij de rechtbank) heeft de vrouw verzocht om partneralimentatie te krijgen van de man. Haar verzoek werd (kort gezegd) afgewezen in verband met de afwezigheid van draagkracht aan de zijde van de man. De man kon zich niet vinden in de overwegingen van de rechtbank dat het grievende gedrag van de vrouw niet van dien aard was dat daarmee de lotsverbondenheid van het huwelijk doorbroken kon worden geacht. Hij ging daarom in hoger beroep.

De man betoogde in hoger beroep dat de vrouw zich grensoverschrijdend heeft gedragen jegens de man op een zodanige manier dat de lotsverbondenheid wel degelijk verbroken dient te worden geacht. Volgens de man heeft de vrouw in haar strijd tegen de man er zelfs met haar gedrag jegens de man voor gezorgd dat zowel Jeugdbescherming als de Raad voor de Kinderbescherming hebben geadviseerd dat de vrouw geen omgang meer mocht hebben met haar kinderen. Dit heeft de verhoudingen tussen partijen geen goed gedaan en het gedrag van de vrouw is alleen maar grensoverschrijdender geworden. Het structurele karakter van het gedrag van de vrouw, de aard daarvan en de omvang van de valse beschuldigingen en het zwartmaken zorgen voor een buitenmenselijke druk die de man wordt opgelegd. Het gedrag van de vrouw kwam neer op het stelselmatig en bij voortduring aanvallen en zwartmaken van de man, hetgeen sporen naliet in het leven van de man. Hij ondervond zware stress door het gedrag van de vrouw en zijn prestatievermogen op het werk leed eronder. De man had al drie jaar slechte beoordelingen gekregen van zijn werkgever. De vrouw heeft zich in bijzonder bezwarende bewoordingen voor de man gericht tot zijn werkgever en zette daarbij de man moedwillig in een kwaad daglicht. De man was van mening dat niet langer van hem kon worden gevergd dat hij moet bijdragen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw nu de lotsverbondenheid is doorbroken.

De vrouw verweerde zich daartegen als volgt. De vrouw zat op alle fronten klem en het mocht haar niet verweten worden dat zij zich in juridische procedures verweert om voor de rechten en belangen van de kinderen en zichzelf op te komen. De vrouw stelde dat de man de lijst met gedragingen en gebeurtenissen die grievend zouden zijn niet of nauwelijks onderbouwt. Daarnaast ontkende de vrouw dat zij zich grievend heeft gedragen. Als er al sprake zou zijn van grievend gedrag, dan zou dit er niet zonder meer toe leiden dat de lotsverbondenheid niet langer aanwezig is.

LOTSVERBONDENHEID

Het hof overwoog als volgt. Het hof stelde bij de beoordeling van de stellingen van de man, evenals de rechtbank, voorop dat bij de beantwoording van de vraag of van een gewezen echtgenoot een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de andere echtgenoot kan worden gevergd en, zo ja, tot welk bedrag, rekening moet worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Hieronder zijn ook te verstaan niet-financiële factoren, zoals gedragingen van de onderhoud verzoekende echtgenoot. De vraag die daarbij speelt, is of van de alimentatieplichtige in redelijkheid nog kan worden gevergd dat hij of zij bijdraagt in de kosten van het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde, met andere woorden, of de lotsverbondenheid die uit het ontbonden huwelijk voortvloeit als gevolg van gedragingen van de onderhoudsgerechtigde als verbroken kan worden beschouwd. In uitzonderlijke gevallen kan worden geconcludeerd dat aan de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten als bedoeld in artikel 1:157 Burgerlijk Wetboek (BW), een einde is gekomen op de grond dat de één zich zodanig grievend jegens de ander heeft gedragen dat in redelijkheid betaling van partneralimentatie door die ander niet langer gevergd kan worden. Daarbij geldt als criterium of voldoende feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken, die maken dat van de alimentatieplichtige in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd in het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde te voorzien. De enkele constatering van grievend gedrag jegens de onderhoudsplichtige van degene die alimentatie verzoekt, leidt er niet zonder meer toe dat de lotsverbondenheid niet langer aanwezig is. Voorts dient in het algemeen terughoudendheid te worden betracht bij de beoordeling of zich in een concreet geval een zodanige situatie voordoet, mede gelet op het onherroepelijk karakter van een beëindiging of matiging van de onderhoudsverplichting. Ook dient te worden bedacht dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel een echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties. Niet iedere vorm van wangedrag dan wel grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen. Ook naar objectieve maatstaven bezien moet er sprake zijn van wangedrag waarbij eveneens van belang is de duur van het huwelijk alsmede het wederzijdse gedrag jegens elkaar.

OORDEEL VAN HET HOF

Het hof heeft geoordeeld dat voornoemde omstandigheden, alsmede de stukken die de man heeft overgelegd ter onderbouwing daarvan, tot gevolg hebben dat de lotsverbondenheid is verbroken en de vrouw van de man geen onderhoudsbijdrage meer kan vorderen. Zij heeft met haar handelingen ook derden op ontoelaatbare wijze in de strijd tussen partijen betrokken. Het hof acht het ontoelaatbaar dat de vrouw ook de werkgever van de man betrokken heeft in haar conflict met de man. Door een dergelijk handelen heeft zij de inkomensbron van de man direct in gevaar gebracht.

CONCLUSIE

Mede op basis van bovengenoemde uitspraak van het Gerechtshof Den Haag blijkt er dus een derde manier te zijn waarop de partneralimentatie kan eindigen. Indien de ex-partner zodanig wangedrag vertoont zodat aan de lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten een einde is gekomen, heeft de rechter de mogelijkheid om te beslissen tot beëindiging van de partneralimentatie. De mogelijkheid om rekening te houden met niet-financiële factoren (naast de weging van behoefte en draagkracht)  vloeit voort uit de discretionaire bevoegdheid ingevolge artikel 1: 157 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van de rechter om een uitkering tot levensonderhoud vast te stellen. De rechter is vrij in zijn waardering van de mate waarin die factoren invloed hebben op de alimentatieplicht. Er kan sprake zijn van feiten en omstandigheden van een zodanige aard dat van een gewezen echtgenoot in redelijkheid niet of niet ten volle kan worden gevergd aan het levensonderhoud van de ander bij te dragen. De lotsverbondenheid die door het huwelijk is ontstaan en ook na de beëindiging van het huwelijk doorwerkt, kan in zo’n situatie niet langer gelden als grondslag voor de onderhoudsverplichting. Dit zal weliswaar alleen mogelijk zijn in uitzonderlijke gevallen, maar het blijkt dus niet onmogelijk.

TOT SLOT

Na wat research blijken er vaker dergelijke vonnissen/arresten te zijn gewezen. Dat is gunstig voor de personen wiens ex-partner wangedrag vertoont en toch nog partneralimentatie ontvangt. Daarmee wil ik een bruggetje slaan naar mijn recherchebureau. Wordt uw leven namelijk ook zuur gemaakt door uw ex-partner? En heeft u hulp nodig bij het bewijzen van het ontbreken van de lotsverbondenheid tussen jullie waardoor de verplichting op partneralimentatie zou kunnen komen te vervallen? Neem dan contact met mij op. Samen bekijken we of en wat voor mogelijkheden er zijn en wat ik daarin voor u kan betekenen. Indien nodig kan ik altijd een advocaat in mijn netwerk raadplegen om de kansen van een procedure zo goed mogelijk in te kunnen schatten.

Bedankt voor het lezen van deze blog en tot de volgende!

***

BRONNEN

ECLI:NL:GHDHA:2016:1249

ECLI:NL:GHARL:2013:5448

ECLI:NL:GHSGR:2011:BV0778

ECLI:NL:RBHAA:2006:BA1734


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *